Fibrinolyse therapie

 

Fibrinolyse therapie wordt gebruikt bij myocardinfarcten om herstel van de doorgankelijkheid van de kransslagaders te bekomen. Hierbij probeert men door het geven van fibrinolyse activatoren de natuurlijke fibrinolyse te bespoedigen. Deze procedure heeft het enkel nut bij een redelijk snelle interventie 6-24u na het infarct. Ook bij levensbedreigende longembolie wordt gebruik gemaakt van fibrinolyse.

 

Bij een op deze manier uitgelokte fibrinolyse bestaat er een ernstige bloedingsneiging ongeacht welk product werd gebruikt. Deze producten variëren wat betreft hun specificiteit voor fibrine en sommige complicaties. T-PA en pro-urokinase zijn relatief fibrine specifiek, dit wil zeggen dat ze bij voorkeur plasminogeen activeren in de aanwezigheid van fibrine en dus een meer lokaal effect hebben. Streptokinase is minder specifiek en heeft het bijkomende probleem van de aanwezigheid van antilichamen tegen streptokokken bij veel patiënten zodat de effectiviteit zou kunnen verminderen en het aanleiding kan geven tot koortsreacties. In de praktijk is er weinig verschil in effectiviteit tussen de verschillende gebruikte producten maar is er wel een duidelijk financieel verschil, Zo kost Streptokinase 10 maal minder dan t-PA.

 

Er is steeds een systemisch fibrinolytisch effect bij deze therapieën. Fibrinogeen daalt met ongeveer 25% na t-PA toediening. Verder is het onmogelijk zowel voor fibrine-specifieke als niet specifieke producten om het verschil te maken tussen vitale hemostatische stolsels en pathologische stolsels. Om het risico te minimaliseren is systemische fibrinolytische therapie dan ook niet aangewezen bij patiënten met recente chirurgie of een voorgeschiedenis met neurologische laesies, gastro-intestinale bloedingen of hypertensie.

 

De halfwaardetijd van de fibrinolytica is erg kort zodat ze in continu infuus worden gegeven.

 

Verder wordt lokale fibrinolyse toegepast voor het ontstoppen van centraal veneuze catheters.

 

Wanneer tijdens fibrinolyse therapie bloedingen optreden, bestaat de behandeling uit het stoppen van de fibrinolytica toediening. Bij een normale leverfunctie wordt de activator snel uit de circulatie verwijderd en tekorten aan stollingsfactoren in enkele uren aangevuld. Een inhibitor van de fibrinolyse kan worden toegediend bij ernstige bloedingen tot natuurlijk herstel van de hemostase optreedt. Eventueel kan plasma worden toegediend om de stollingsfactoren aan te vullen indien dit acuut noodzakelijk is.

 

 

Urokinase dosering
DVT bolus: 4400E/kg in 10-20 minuten IV
onderhoudsdosis: 100 000E/u gedurende 2-3d IV
Longembolie bolus: 4400E/kg in 10-20 minuten IV
onderhoudsdosis: 4400E/kg/u gedurende 12u IV
Getromboseerde shunt 5000-25000E in shunt spuiten en afklemmen
eventueel herhalen na 30-45 minuten

  

 

t-PA dosering
AMI bolus: 15 mg IV in 1-2 minuten
gevolgd door 50 mg in 30 minuten
gevolgd door 35 mg in 60 minuten
Heparine te starten bij start thrombolyse: 5000E bolus en 1000e/u
LE bolus: 10 mg IV in 1-2 minuten
gevolgd door 90 mg in 2 uur
+ heparine

 

 

Streptokinase dosering
DVT/LE bolus: 250 000E in 20-30 minuten IV
onderhoudsdosering: 100 000E/u gedurende 24-72u IV
Getromboseerde shunt 25 000 – 100 000E
herhalen na 30-45 minuten zo nodig
Perifere arteriële afsluiting Lokaal 1000-2000E
Te herhalen iedere 3-5 minuten gedurende 3 uur
AMI bolus: 20 000E IV
onderhoudsdosering: 4000E/minuut gedurende 60-90 minuten
max. 1 500 000 mg per uur