Thrombocyten: Vorming en structuur

 

De thrombocyten zijn fragmenten van het cytoplasma van megakaryocyten. Ze hebben dus geen kern en worden gevormd in het beenmerg. De megakaryocyten worden gevormd vanuit pluripotentiele stamcellen en zijn meestal meerkernig behalve bij bepaalde beenmergaandoeningen zoals myelodysplasieen.

Nieuw gevormde thrombocyten worden gedurende 24-48u in de milt gesequestreerd vooraleer ze de bloedcirculatie ingaan. De milt bevat normaal dan ook 10-20% van het totaal aantal thrombocyten in het lichaam. Met de productie door het beenmerg en de reserve in de milt wordt het niveau aan thrombocyten in de bloedcirculatie stabiel gehouden tussen de 150-400 x109/l. De normale levensduur van de thrombocyten is ongeveer 8-14 dagen en oude thrombocyten worden door het reticulo-endotheliaal systeem in de lever, milt en beenmerg verwijderd.

Thrombocyten zijn ongeveer 2-4 µ m groot en bevatten buiten mitochondria verschillende soorten granules die stoffen zoals ADP, ATP, Serotonine, Platelet Factor 4 (PF4), von Willebrand Factor (vWF), .... die een belangrijke rol spelen bij verschillende onderdelen van de bloedstolling.

Op de membraan van de Thrombocyten zijn een aantal specifieke receptoren aanwezig waarvan de meeste glycoproteines (GP) zijn. Deze spelen een belangrijke rol bij de adhesie en aggregatie tijdens de primaire hemostase. Verder zijn er ook phospholipiden (PL) aanwezig die een belangrijke rol spelen bij de lokalisatie van de plasmatische stollingsfactoren op de membraan van de thrombocyten.

 

platelets plateletsnormal

thrombocyten omringd door rode bloedcellen

normale thrombocyten

 

 

Thrombocytopenie

 

Een thrombocytental van 100 x109/l is noodzakelijk voor een normale bloedstolling. Bij een thrombocytopenie zijn er te weinig thrombocyten aanwezig. Hiervoor kunnen er verschillende redenen bestaan die grosso modo in 3 groepen te verdelen zijn: onvoldoende productie door het beenmerg, verhoogde afbraak van thrombocyten in de circulatie of sequestratie van thrombocyten buiten de circulatie.

 

1. verminderde thrombocyten productie

  • beenmerghypoplasie door radiotherapie, geneesmiddelen of idiopathisch
  • beenmerginfiltratie door maligniteiten of fibrose
  • selectieve uitval van de thrombocyten productie bij sommige geneesmiddelen (goud, sulfonamiden, ethanol, …) of infecties (rubella, …)
  • ineffectieve productie door vitamine B12 of Foliumzuur deficiëntie, myeloproliferatieve ziekten of alcohol abusus
  • congenitale of verworven thrombocyt productiestoornissen

 

2. verhoogde thrombocyten afbraak

immunologisch gemedieerd

  • auto-antistoffen: Idiopathische Thrombocytopenische Purpura (ITP), Lupus (SLE)
  • geneesmiddelen antilichamen: Quinine, Quinidine, heparine, ….
  • infecties zoals mononucleosis, malaria, gram negatieve sepsis,…
  • post transfusie purpura

niet immunologisch gemedieerd

  • Diffuse Intravasale Stolling (DIS), pre-eclampsie, Hemolytisch Uremisch Syndroom (HUS), Thrombotische Thrombocytopenische Purpura (TTP)
  • geneesmiddelen zoals ristocetin
  • giant hemangiomas (Kasabach-Merritt)

 

3. verhoogde thrombocyten sequestratie

  • hypersplenisme 

 

Bij een Idiopathische Thrombocytopenische Purpura (ITP) is er een thrombocytopenie door verhoogde afbraak. Bij deze aandoening worden er auto-antistoffen tegen thrombocyten gevormd waardoor deze sneller uit de circulatie worden verwijderd door de milt en lever. De productie van thrombocyten is verhoogd en in het beenmerg vindt men dan ook een verhoogd aantal megakaryocyten. De behandeling bestaat uit steroïden gevolgd door immunosuppressiva zoals Imuran of Endoxan. Sommige patiënten zullen slechts 1 episode doormaken terwijl andere recidiveren en nog anderen niet op de behandeling reageren. Meestal is er een goede respons op steroïden (1mg/kg/d). Immuunglobulines (0.4g/kg gedurende 5 dagen) zorgen ook meestal voor een snelle, tijdelijke stijging van de thrombocyten. Indien beperkte respons kan een splenectomie worden overwogen.

 

 

Thrombocytopathie

 

Bij een thrombocytopathie is de werking van de thrombocyten gestoord. Dit kan een aangeboren probleem zijn zoals bij de Ziekte van Von Willebrand (tekort aan goed functionerende Von Willebrand Factor), Bernard-Soulier (gestoorde adhesie door GPIb-IX probleem), Glanzman (gestoorde aggregatie door GPIIb/IIIa probleem), Gray Platelet syndrome (release probleem door afwezigheid van granules), ed. of een tijdelijk probleem zijn bij oa. nier- of leverfunctiestoornissen.

Ook bij verschillende medicijnen kan een thrombocytopathie optreden. Het meest bekend is hierbij aspirine dat langdurig en uitgebreid de thrombocytenaggregatie kan verstoren. Aspirine inhibeert de thrombocyt in de vorming van Thromboxaan A2 uit Arachidonzuur door het enzym cyclo-oxygenase (COX). Thromboxaan A2 is de krachtigste aggregatiestimulus die vrijgesteld wordt door de thrombocyten. Ook als aspirine gestopt wordt, werkt dit effect nog ongeveer 10 dagen na. Het effect van aspirine is namelijk definitief en verdwijnt enkel door de vervanging van beschadigde thrombocyten door nieuwe, gezonde thrombocyten. Naarmate de thrombocyten vervangen worden, vermindert het effect van aspirine. Bij de NSAID producten is hetzelfde effect minder uitgesproken en korter. De inhibitie van het COX enzyme is reversiebel en enkel aanwezig tijdens de aanwezigheid van de NSAID. De thrombocytenaggregatie is na een dag stoppen meestal terug normaal.

Bij aspirine thrombocytopathie is bewezen dat een normale bloedingstijd geen garantie is voor een normale hemostase. Bij aspirine gebruik moet indien mogelijk deze worden gestopt tenminste 10 dagen voor de operatie en indien dit niet mogelijk is, moeten maatregelen (zoals het toedienen van DDAVP) genomen worden.