Atriumfibrilleren

 

fibrillation

 

Het hart bestaat uit 4 holtes, 2 ventrikels (kamers) en 2 atria (voorkamers). Het bloed komt in het hart via de twee atria die het doorgeven aan de ventrikels, die het op hun beurt pompen naar de longen (rechter ventrikel) en de rest van het lichaam via de aorta (linker ventrikel).

 

heart

Normaal trekken de vier holtes gecoördineerd (gestart vanuit het rechter atrium) samen zodat het doorgeven van het bloed van de atria naar de ventrikels vlot kan gebeuren. Bij atriumfibrilleren is deze coördinatie zoek en trekken atria en ventrikels samen op een verschillend tempo. Dit geeft problemen voor de efficiëntie van het hart en problemen van trombo-embolie.

 

normaal hartritme atriumfibrilleren
normaal hartritme: vloeiende samentrekking atriumfibrilleren: de coordinatie is zoek

 

 

Atriumfibrilleren is een veel voorkomende oorzaak van herseninfarcten (TIA, CVA). In 50% van de gevallen van hersenembolie wordt dit door atriumfibrilleren veroorzaakt.

Aspirine en orale antistolling met marcoumar, sintrom of warfarine worden gebruikt ter preventie van embolieën bij atriumfibrilleren. Orale antistolling heeft bewezen de kans op hersenembolie te verminderen met ongeveer 60-70%. De kans op een hersenembolie bij atriumfibrilleren bedraagt ongeveer 4.5% per jaar en met orale antistolling wordt dit verminderd tot ongeveer 1.4% per jaar. De kans op een TIA (hersenembolie met kortdurende verschijnselen en volledig herstel) bedraagt ongeveer 12% per jaar en dit wordt met antistolling verminderd tot ongeveer 4% per jaar.

Risicofactoren voor het krijgen van een hersenembolie bij patiënten met atriumfibrilleren zijn de leeftijd, diabetes, hypertensie en ischemisch hartlijden. Bij patiënten beneden de 65jaar zonder andere risicofactoren is de kans op een hersenembolie klein (0.5% per jaar) en blijkt uit verschillende studies het effect van orale antistolling ook beperkt. Daarom wordt aan deze patiënten ook geen antistolling gegeven, terwijl oudere patiënten met atriumfibrilleren of patiënten met atriumfibrilleren en andere risicofactoren wel orale antistolling krijgen.

Een belangrijk punt is de vergelijking in efficiëntie tussen aspirine en antistolling. Aspirine blijkt ook efficiënt maar duidelijk minder dan antistolling. De kans op een CVA/TIA vermindert met 10-40% waarbij dit met antistolling 60-70% is.

Bloedingen zijn een belangrijke complicatie van een antistollingsbehandeling, meer dan bij aspirine. Bij patiënten met atriumfibrilleren is de kans op een ernstige bloeding door antistolling ongeveer 1.7% per jaar onder de 75 jaar en 4.2% per jaar boven 75 jaar. Met aspirine is dit 0.9% beneden de 75 jaar en 1.6% per jaar boven de 75 jaar. Het risico van bloeding is hoger in aanwezigheid van andere ziekten.

Zowel aspirine als antistolling met marcoumar, sintrom of warfarine worden gebruikt bij patiënten met atriumfibrilleren ter preventie van hersenembolieën. Bij patiënten beneden de 65 jaar zonder bijkomende risicofactoren heeft aspirine de voorkeur omdat de kans op trombo-embolie bij deze patiënten laag is. Bij oudere patiënten of patiënten met bijkomende risicofactoren heeft orale antistolling de voorkeur omdat het risico voor trombo-embolie bij deze patiënten gevoelig hoger is. Bij patiënten van 65-75jaar zonder bijkomende risicofactoren kan eventueel ook voor aspirine worden gekozen maar in deze leeftijdscategorie zijn meestal andere risicofactoren aanwezig zodat toch voor orale antistolling moet worden gekozen.