Diep Veneuze Trombose en Longembolie

 

 

pulmonaryembolism

 

 

 

Diep veneuze trombose (DVT) en longembolie zijn een relatief veel voorkomende oorzaak van ziekte en overlijden. Gemiddeld kan men zeggen dat DVT jaarlijks voorkomt bij 48-162 mensen op 100 000, en longembolie bij 23-51 mensen op 100 000. Uit obducties is gebleken dat longembolie een (mede)oorzaak van overlijden is in 3-16% van alle overlijdens. Bij een longembolie is in 70-90% van de gevallen ook een DVT aanwezig die niet altijd klachten geeft.

Indien een longembolie niet behandeld zou worden met antistolling, zal 30% een nieuwe niet fatale longembolie en 30% een nieuwe fatale longembolie doormaken binnen de 3-6 maanden. Met een antistollingsbehandeling verloopt de ziekte veel minder ernstig en wordt de kans op een nieuwe longembolie veel kleiner.

Chronische veneuze vaatproblemen komen voor bij 1-5% van de bevolking en bij de helft van de patiënten met een diep veneuze trombose. Dit leidt vaak tot zwelling van het been, ongemak en ulcera.

 

lung

Kans op nieuwe trombose onder antistolling

Gedurende een orale antistollingsbehandeling is de kans op een hernieuwde DVT of longembolie zeer klein.

Bij patiënten die behandeld worden voor een DVT krijgt ongeveer 1.15% van de patiënten alsnog een longembolie onder deze behandeling (bij 0.45% een fatale longembolie) en van de patiënten die behandeld worden voor een longembolie maakt 3.3% een nieuwe longembolie door onder de behandeling die bij 1.5% fataal is.

Na het stoppen van de behandeling neemt de kans op een nieuwe longembolie (recidief) weer toe. 

 

stolsel in truncus pulmonalis (bloedvat naar beide longen)

 

Duur van de antistollingsbehandeling

De duur van een orale antistollingsbehandeling van een DVT of een longembolie is 3-6 maanden. Meestal wordt voor een onverwikkelde DVT 3 maanden aangehouden en voor een longembolie 6 maanden. Bij een recidief kan voor langere duur van de antistolling worden gekozen afhankelijk van de omstandigheden van de trombose en eventuele risicofactoren.

Bij de duur van de behandeling moet rekening gehouden worden welke behandelduur zal leiden tot zo weinig mogelijk recidieven afgewogen tegen het risico van bloedingen tijdens de behandeling. Momenteel wordt een behandelduur van 6 maanden voor een longembolie als voldoende aanzien. Bij een recidief en de aanwezigheid van erfelijke risicofactoren voor trombose kan voor levenslange antistolling worden gekozen.

 

Kans op recidief longembolie na de antistollingsbehandeling

De kans op een nieuwe longembolie bedraagt 10%/jaar in het eerste jaar na het stoppen van de behandeling ongeacht of deze behandeling 6 maanden of langer werd gegeven.

Tijdens een langere behandeling is de kans op een nieuwe longembolie laag zolang de behandeling duurt, maar bij het stoppen is de kans op een recidief ook in dat geval 10%/jaar in het eerste jaar.

Ongeveer 1/20 van deze recidieven is fataal, dus 0.5%/jaar. Bij een antistollingsbehandeling is de kans op ernstige bloedingen ongeveer 2.0% en die op een fatale bloeding ongeveer 1%.

Het is deze afweging van enerzijds een kans van 0.5% op een fatale longembolie tegen een kans van 2.0% ernstige bloedingen (waaronder hersenbloedingen) en een kans van 0.5% op fatale bloedingen, die geleid heeft tot een behandelduur van 6 maanden tenzij in patiënten waarbij een duidelijk hoger risico van trombose bestaat.

 
lung
longinfarct

 

 

 


 

pdf-button2 word-icon1