Vitamine K

 

Er zijn twee soorten vitamine K naargelang de vitamine door planten (K1, phylloquinone) of bacteriën (K2, menaquinone) wordt gesynthetiseerd.

 

Zes vitamine K-afhankelijke proteïnes (prothrombine, factor VII, IX, X, proteïne C en S) spelen een belangrijke rol in de stollingsregeling. Vitamine K functioneert als een essentiële co-factor voor de omzetting van specifieke glutaminezuur residu’s tot g -carboxy-glutaminezuur in deze vitamine K-afhankelijke proteïnes. Orale coumarine derivaten realiseren hun anticoagulerend effect door het vitamine K metabolisme te inhiberen en aldus de vorming van deze g -carboxy-glutaminezuur groepen tegen te gaan. Dit maakt dat deze stollingseiwitten minder in staat zijn calcium te binden en zo leiden tot een minder efficiënte stolling. De aanwezigheid van vitamine K is dus bepalend voor het antistollingseffect van de coumarines en vitamine K wordt dan ook gebruikt om antistolling te couperen.

 

Vitamine K1 is aanwezig in verschillende voedingsmiddelen en reeds in 1965 werd voorgesteld dat de stollingstijden konden worden gemanipuleerd door het aanpassen van de vitamine K1 inname bij de voeding. In de literatuur worden verschillende case reports teruggevonden over het storend effect van voedingsmiddelen op de antistolling. Pogingen werden ondernomen om patiënten een dieet op te leggen met stabiele vitamine K1 inname.

Reeds in 1956 werd door Babson het voorstel gelanceerd om door dagelijkse combinatie van coumarines en vitamine K een stabielere antistolling te bekomen .
In 1960 werd het door Stephens uitgeprobeerd bij patiënten met een gunstig resultaat, zij het in een kleine studie zonder controlegroep . Deze experimenten werden in 1968 overgedaan door Udall bij 2 patiënten . Grotere studies zijn echter nooit verricht.

moleculaire structuur van vitamine K1
Moleculaire Structuur Van Vitamine K1

 

De dagelijkse aanbevolen vitamine K1 inname (RDA) bedraagt ongeveer 1.0m g/kg/d . De werkelijke dagelijkse inname, bestudeerd in postmenopauzale vrouwen in Verenigde Staten, zou variëren van 3-2761 m g/d met een gemiddelde van 156 +/- 147 m g/d . Er werd een duidelijke relatie gevonden tussen de vitamine K1 inname en de phylloquinone plasmaspiegels en deze vertonen aanzienlijke intra-individuele en inter-individuele variatie (gemiddeld 1.12 nmol/l, mediaan 0.85 nmol/l, 5e percentiel: 0.34 nmol/l, 95e percentiel: 2.84 nmol/l), alsook belangrijke seizoensgebonden variatie (0.62-1.37 nmol/l).

In de lever vertegenwoordigt vitamine K1 ongeveer 10% van de aanwezige vitamine K tov ongeveer 90% vitamine K2. De vitamine K1 concentratie in levercellen gemeten in chirurgisch - en obductiemateriaal, zou 10.6-28.0 pmol/g leverweefsel (4.8-12.7 ng/g) bedragen . Dit zou de totale levervoorraad aan vitamine K1 schatten op ongeveer 15-20m g. Er is een vlugge turnover van vitamine K in de lever met snel teruglopen van de leverreserves bij verminderde vitamine K inname. 60-70% van opgenomen vitamine K (via injectie of oraal) worden via lever of nier terug uitgescheiden .

 

De coumarines interfereren met het vitamine K metabolisme maar lijken geen invloed te hebben op de farmacokinetiek . Op grond van farmacokinetische studies werd bij eenmalige IV toediening van 10mg vitamine K1 bij stabiele warfarine gebruikers het effect van vitamine K op de synthese van stollingsfactoren, gemeten aan de hand van de Prothrombine Complex Activiteit (PCA) en de Factor VII activiteit, geschat op 168u, terwijl de eliminatie halfwaardetijd van vitamine K1 ongeveer 1.7u +/- 0.7u is.