Trombofilie

Het lichaam heeft twee belangrijke systemen om de bloedstolling te remmen en zo te vermijden dat er onnodig tromboses worden gevormd: Antithrombine III en het Proteine C en Proteine S systeem. Als deze stoffen te weinig aanwezig zijn (deficiëntie) wordt de bloedstolling onvoldoende geremd en zal er een verhoogde neiging tot vorming van tromboses zijn. Dergelijke deficiënties kunnen aangeboren zijn (erfelijk) maar kunnen ook in bijzondere omstandigheden voorkomen. APC resistentie en Factor V Leiden hebben te maken met onvoldoende functioneren van het Proteïne C/S systeem.

Buiten een verminderde remming van de bloedstolling wat tot Trombose leidt, kan er ook juist een te actieve bloedstolling zijn wat ook tot trombose leidt. In deze situatie is de rem op de bloedstolling normaal maar is het stollingssysteem zelf te sterk voor deze rem. Dit wordt gezien bij een Factor II mutatie waardoor er teveel Factor II is en bij verhoging van andere stollingsfactoren zoals Factor VIII.

dvt3

 

 

Trombose

dvt5

Het optreden van een trombose is een samenspel van verschillende factoren, aangeboren en verworven. Waarschijnlijk heeft iedereen een bepaalde drempel waarboven een trombose optreedt. Zolang het gecombineerd effect van de verschillende factoren niet boven deze drempel komt, krijgt men geen trombose. Wordt deze drempel overschreden, volgt een trombose.

De erfelijke factoren geven een constante risicoverhoging. Bepaalde factoren zoals immobilisatie, de orale anticonceptie, Zwangerschap, etc geven een tijdelijke risicoverhoging. Roken en hypertensie zijn risicofactoren voor Arteriele problemen maar niet voor Veneuze trombose.

Het is dus belangrijk het aantal risicofactoren te beperken.

 

 

 

Trombofilie patientenvoorlichting

Patiëntenvoorlichting betreffende de bloedstolling en trombose bij mensen met trombofilie (APC-resistentie, Factor V Leiden mutatie, Factor II mutatie, Proteïne C tekort, Proteïne S tekort, antitrombine tekort, verhoogd factor VIII, IX of XI gehalte)